Dertig kenmerken van vervalsingen van oude kunstobjecten
7 July, 2008 – 7:33 pmUit Jerome Eisenberg: The Aesthetics of the Forger, Stylistic Criteria in Ancient Art Forgery. (Minerva, The International Review of Ancient Art & Archaeology, mei/juni 1992)
1. Een gebrek aan harmonie in het ontwerp van het gehele object.
2. Een gebrek aan of incorrect gebruik van symmetrie in elementen die symmetrisch horen te zijn.
3. Monotone herhaling van elementen die geen direct verband houden met het thema of het gehele ontwerp.
4. Toevoeging van een element dat niet in het ontwerp thuishoort.
5. Ongelijkheid in de stijl of uitvoering van elementen.
6. Ongelijkheid in de abstractiegraad van elementen.
7. De vervalser heeft de stijl duidelijk niet begrepen.
8. De vervalser heeft duidelijk niet begrepen wat hij precies afbeeldt: een kledingstuk valt bijvoorbeeld verkeerd.
9. Elementen die zijn afgebeeld hebben geen enkele relatie tot elkaar.
10. Onhandig apart geplaatste componenten.
11. Elementen die veel te groot of te klein zijn.
12. Zichtbare moderne invloed op de stijl van de vervalser.
13. Een unieke, volledig ontwikkelde stijl die daarvoor nooit was gezien en geen verband houdt met bekende objecten uit die tijd.
14. Herhaald gebruik van verzonnen motieven of van motieven die niet in die periode thuishoren.
15. ‘Horror vacui’: de behoefte om lege vlakken in te vullen terwijl dat niet bij de stijl past.
16. Te veel emotie, te sentimenteel.
17. Te weinig emotie, te levenloos.
18. Identieke objecten, kopieën van elkaar.
19. Een bestaand object is in verkleinde vorm onderdeel gemaakt van een nieuw werk; of een element van een bestaand object is uitvergroot tot een op zichzelf staand nieuw werk.
20. Een (deel van een) bestaand werk is in spiegelbeeld gekopieerd (moeilijker te herkennen dan een directe kopie).
21. Gelijkenis met andere vervalsingen uit dezelfde periode.
22. Een samenvoeging van stijlen die geografisch ver uit elkaar liggen.
23. Een samenvoeging van stijlen die in de tijd ver uit elkaar liggen.
24. Een samenvoeging van elementen van verschillende objecten, zodat die een nieuw object vormen.
25. De vervalser heeft een object vertaald van de ene grondstof in de andere, maar houdt er geen rekening mee dat hij dan ook andere technieken moet gebruiken.
26. Onzekere, onregelmatige of slecht uitgevoerde lijnen of elementen omdat de vervalser te onzeker is, te weinig bekend met het onderwerp.
27. Een mechanische stijfheid van lijnen of platheid in vlakken, doordat de vervalser geprobeerd heeft een regelrechte kopie te maken.
28. Een moeilijk te repareren fout is ‘gecorrigeerd’ door iets toe te voegen dat er niet past.
29. Een moeilijk te repareren fout is ‘gecorrigeerd’ door iets weg te halen, bijvoorbeeld door het af te breken of het oppervlak te beschadigen.
30. Op een object zijn dingen weggelaten omdat die bij de bron van de vervalsing ook ontbraken.
Gepubliceerd: 3 juli 2008
Door een onzer redacteuren: http://www.nrc.nl/
You must be logged in to post a comment.