Rijksmuseum:brandbeveiliging en de overkapping forse kostenposten

15 March, 2008 – 4:35 pm

OCW werkte vertraging Rijks in de hand

Van onze verslaggevers Merijn Rengers, John Schoorl
gepubliceerd op 15 maart 2008 02:46, bijgewerkt op 15 maart 2008 13:09

AMSTERDAM - Het ministerie van OCW werkte het mislukken van de aanbesteding van Het Nieuwe Rijksmuseum in de hand door in een vroegtijdig stadium met slechts één aannemer om de tafel te gaan zitten. Ook kreeg de BAM, de aannemer, direct te horen dat de andere gegadigde was afgehaakt.

Deze actie is volgens bouwers en aanbestedingsdeskundigen zeer ongebruikelijk, omdat het de onderhandelingspositie van de opdrachtgever verzwakt en in strijd is met het doel van een aanbestedingsprocedure, namelijk het uitlokken van concurrentie.

Dit blijkt uit een reconstructie die mede is gemaakt op basis van correspondentie met het ministerie van OCW en met de BAM. Het ministerie is de financier van deze prestigieuze restauratie.

Plasterk
Op 26 februari maakte minister Ronald Plasterk bekend dat de aanbesteding van de verbouwing van Het Nieuwe Rijksmuseum over moest. Er gaapte een te groot gat tussen de prijs die de BAM wilde hebben (222 miljoen euro) en het budget van OCW (134 miljoen euro). Hij zei dat hij zich ‘niet wilde laten gijzelen’ door de BAM.

De minister wist echter al sinds 11 juli 2007 dat deze bouwer de enige gegadigde was. Op die datum liet de bouwcombinatie Hillen & Roosen/De Nijs/Boele & Van Eesteren de opdracht vallen. De landsadvocaat zocht uit of de aanbesteding kon worden gestopt. De procedure werd voortgezet omdat ‘onder de huidige marktomstandigheden’ een aanbesteding met één aannemer vaker voorkomt, aldus het ministerie.

Minder kritisch
Volgens IGG Bouwkostenadvies, dat het project Het Nieuwe Rijksmuseum narekende, is het grote prijsverschil het gevolg van het feit dat de BAM de enige gegadigde was. ‘Een aannemer die weet dat hij als enige de klus gaat klaren, is veel minder kritisch ten opzichte van zijn onderaannemers.’ De BAM wijt het grote verschil aan ‘opvallende kostendrijvers’, zoals het gebruik van zeldzame materialen. Ook zijn de brandbeveiliging en de overkapping forse kostenposten.

Een ongebruikelijke gang van zaken

RECONSTRUCTIE, Van onze verslaggevers Merijn Rengers, John Schoorl
gepubliceerd op 15 maart 2008 08:42, bijgewerkt op 15 maart 2008 10:45

AMSTERDAM - ‘De aanbesteding is mislukt’, zei minister Ronald Plasterk op 26 februari. Maar eigenlijk was dat zeven maanden eerder al het geval. Op 11 juli 2007 stuurde de bouwcombinatie Hillen & Roosen/De Nijs/Boele & Van Eesteren een briefje dat ze niet meer wilde meedingen naar de bouw van het hoofdgebouw van Het Nieuwe Rijksmuseum – een van de meest prestigieuze bouwprojecten van Nederland – en was de BAM de enige overgebleven aannemer.

Er was geen enkele twijfel bij de bouwcombinatie over de beslissing om ermee op te houden. Sinds ze in november 2006 liet weten geïnteresseerd te zijn in dit werk, was het wachten op het definitieve bestek. Hierin zou in detail staan wat de bouw van Het Nieuwe Rijksmuseum omvatte, en dan konden ze hun calculaties gaan maken.

Het was vooral wachten op de bouw- en monumentenvergunning die door bezwaar- en beroepsprocedures werden vertraagd. In totaal moesten er tachtig vergunningen voor het hoofdgebouw worden verleend.

‘Het duurde maar’, vertelt Jan Visser, toenmalig algemeen directeur van Hillen & Roosen. Pas op 13 juni 2007 kwam het bericht van de Rijksgebouwendienst dat de procedure verder ging, en dat na de bouwvakvakantie, of later, de definitieve bestekstukken beschikbaar zouden komen.

De bouwcombinatie beraadde zich en kwam vrij snel tot de conclusie: stoppen. Ook al is Het Nieuwe Rijksmuseum een project waaraan elke aannemer zijn naam wil verbinden, nog langer uitstel zou tot ‘ongekende financiële risico’s’ leiden. De orderportefeuilles van de aangesloten ondernemingen waren vol en als de vertraging aanhield zouden ‘andere projecten in het geding komen’.

Visser: ‘We zouden onvoldoende capaciteit hebben voor Het Nieuwe Rijksmuseum, als het zover was. Dat risico vonden we niet verantwoord. We konden het werk niet bouwen.’

En zo was er nog maar één van de geselecteerde aannemers over, de BAM. Bij het afblazen van de aanbesteding, op 26 februari, verkondigde minister Plasterk dat hij ‘zich niet laat gijzelen’ door de BAM, maar feitelijk wist hij al zeven maanden dat hij het met dit beursgenoteerde miljardenbedrijf moest doen. Als het dan toch een gijzeling moet worden genoemd, dan op z’n minst een vrijwillig gekozen gijzeling.

De Rijksgebouwendienst, die de aanbesteding regelt, had op meer meebiedende aannemers gehoopt. Dat is de essentie van een aanbesteding: bouwbedrijven rekenen uit voor welk bedrag ze kunnen bouwen. Die biedingen worden gericht aan de Rijksgebouwendienst. De laagste prijs maakt de grootste kans om, in dit geval, de ‘Vernieuwing Hoofdgebouw Rijksmuseum’ uit te voeren.

Maar nu was er dus geen sprake meer van concurrerende aannemers. Het wezen van een aanbesteding was hiermee aangetast, zegt aanbestedingsdeskundige Henk Wijnen van PIANOo, Netwerk voor Overheidsopdrachtgevers. Onmiddellijk stoppen met de procedure was een reële optie. ‘Het is ongebruikelijk en niet wenselijk om na de selectie slechts één partij over te houden’, zegt hij. ‘Dat botst ook met de gedachte achter het aanbesteden. Je wilt toch minstens twee of drie partijen hebben die meedingen, anders heb je geen concurrentie.’

Ton de Groot van IGG Bouwkostenadvies: ‘Na de bouwfraude sprak iedereen over het streven naar concurrentie, transparantie en innovatie. Je kunt je afvragen of dat hier is gerealiseerd.’

En dat wist ook de ambtelijke top van het project, O3 geheten. Hierin zijn verzameld het ministerie van OCW, het Rijksmuseum en de Rijksgebouwendienst. Ook hier rees de vraag hoe het nu verder moest. Hoe kwetsbaar waren ze, nu er nog maar één aannemer over was? Wat zou dat voor de prijs betekenen?

De landsadvocaat werd erbij gehaald. Als er tussentijds nog maar één aannemer overblijft, is dat niet in strijd met het aanbestedingsrecht, stelde deze vast. Bovendien was het ‘in de huidige marktomstandigheden’ niet ongebruikelijk om maar met één aannemer een aanbesteding te doen. Doorgaan dus, meende het ministerie.

‘Ze hadden geen keuze’, zegt Ton de Groot van IGG, het Wassenaarse bouwkostenadviesbureau dat sinds 2000 bij Het Nieuwe Rijksmuseum is betrokken. ‘Wat moesten ze anders? In de huidige markt is het moeilijk om concurrentie te organiseren. Iedere aannemer heeft het druk. Er zijn er niet veel die mee willen doen met een aanbesteding waar ze veel rekentijd in stoppen en die ze niet mogen bouwen. Niemand heeft dat op dit moment nodig. Ik denk dat ze hoopten dat de prijs van de de aannemer zou meevallen.’

De werkrelatie met de BAM was immers goed, de Rijksgebouwendienst en de aannemers deden vele werken samen. Ook bij twee andere projecten van Het Nieuwe Rijksmuseum, het ateliergebouw en het keldercomplex, was het werk bij de BAM terechtgekomen. In beide gevallen was het de combinatie Hillen & Roosen/ De Nijs/ Boele & Van Eesteren die de aanbesteding had verloren.

De BAM was in deze werken ‘niet noemenswaardig’ over de beoogde eindprijs heengegaan, aldus de aannemer. Op het totale bedrag van 16,6 miljoen euro kwam 5,9 miljoen euro extra. Voor de opdrachtgever was deze overschrijding geen probleem.

Op 26 september 2007 was het zover. Het Spaanse architectenbureau had zijn definitieve ontwerp klaar, in dertien dozen en tekeningen werd het bij de BAM afgeleverd. De bouwvergunning was definitief goedgekeurd.

De BAM sloeg aan het rekenen. De aannemer wist inmiddels dat er geen andere onderneming meer was waar ze tegen op moesten boksen. De concurrent was afgehaakt, zo liet de Rijksgebouwendienst aan de BAM openlijk weten. Een zéér ongebruikelijke gang van zaken, aldus aanbestedingsdeskundige Henk Wijnen. Verschillende aannemers onderschrijven dit. Wijnen: ‘Het is vanuit een inkoopstrategie niet logisch om aan de enige overgebleven partij te communiceren dat zij de enige zijn.’

De BAM vroeg bij vijfhonderd onderaannemers en toeleveranciers offertes aan. Tweehonderd daarvan wilden meedoen aan de bouw van Het Nieuwe Rijksmuseum. Aan de calculatie werkten 45 man vier maanden.

In de tussentijd had IGG Bouwkostenadvies zijn ‘directiebegroting’ van het werk klaar, net als de ‘controlebegroting’. Om er helemaal zeker van te zijn, werd Basalt Bouwadvies in oktober door de Rijksgebouwendienst ingehuurd om daarvan weer een ‘contrabegroting’ te maken.

Toen op 22 januari 2008 Etienne Schoenmaeckers, de programmadirecteur van Het Nieuwe Rijksmuseum, de definitieve prijsaanbieding zag, onderbouwd met zeven ordners informatie, wist hij niet wat hij zag. Hij had drie begrotingen en nu was daar het bedrag van de BAM. Een onoverbrugbaar verschil, dat was wat hij vaststelde. IGG en Basalt kwamen beide op 134 miljoen euro en de BAM zat daar 88 miljoen euro boven: 222 miljoen euro.

Twee weken later was het in het topambtenarenberaad O3 een duidelijke zaak: dit aanbod was onaanvaardbaar. Nog even is overwogen om met de BAM in gesprek te gaan over het bedrag – wellicht viel er af te dingen – maar hiervan werd toch afgezien. Heraanbesteden was de enige optie, ook al leidde dat tot verder uitstel van de heropening van het Rijksmuseum.

Op 23 februari kreeg Plasterk over de mislukking te horen, twee dagen later de BAM en weer een dag later de Tweede Kamer.

De BAM schrijft dat de prijs werd opgedreven door onder meer de toepassing van bijzondere materialen, het overkappen van het hele gebouw, dure detaillering en intensieve brandbeveiliging. Zeshonderd medewerkers zouden 32 maanden bezig zijn.

Volgens IGG-directeur Ton de Groot heeft het grote prijsverschil vooral te maken ‘met de hoogconjunctuur in de bouw’. ‘Grote aannemers zijn inkoopbureaus geworden doordat ze het te druk hebben om zelf te bouwen. Tachtig procent van de klus wordt door onderaannemers gedaan, maar de hoofdaannemer tuigt ook zelf zijn organisatie op. Dat zit allemaal in de prijs.’

Volgens De Groot zit het verschil tussen de twee begrotingen die hij maakte en die van de aannemer vooral in ‘de doorberekende risico’s’. ‘De onderaannemers nemen in hun calculaties ook weer risico’s mee. Dan krijg je dus een optelsom van hier tot ginder.’

Als een aannemer weet dat de concurrentie is afgevallen, is hij volgens De Groot ‘minder kritisch op de onderaannemers’. ‘Hij is de enige, dus waarom zou hij dan nog eens al die calculaties en risico’s gaan naberekenen. Dat kost tijd en geld. Zo krijg je dus een opteleffect. En dat is hier gebeurd.’ 

http://www.volkskrant.nl/

Share/Save/Bookmark

You must be logged in to post a comment.