14 January, 2003 – 6:47 pm
Brussel 10 januari 2003. Toespraak Senaat
Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, Ik wil voor u de volgende stelling verdedigen:
De meeste Europese landen hebben buitensporig veel en grote verzamelingen kunst en cultureel erfgoed van andere landen aangelegd; zij hebben zich met juridische en opportunistische argumenten verzet tegen de teruggave van dubieus verworven collecties.
De ratificatie van het UNESCO Verdrag van 1970 en het UNIDROIT Verdrag van 1995 zijn daarom noodzakelijk geworden om te voorkomen dat dit in de toekomst weer gebeurt.
Mijnheer de voorzitter, dames en heren, Oorlogen zijn altijd een belangrijke bron van aanwinsten geweest voor particuliere verzamelaars en in de laatste twee eeuwen ook voor musea. De Romeinse legers plunderden nieuw veroverde gebieden in opdracht van hun generaals.De kruisvaarders plunderden Jerusalem en Istanbul. Deel van die buit staat te pronk in de San Marco in Venetie. De Franse legers roofden op hun beurt kunst uit Europese landen en uit Egypte in opdracht van Napoleon om Parijs tot de culturele hoofdstad van Europa te maken. . Britse marinies plunderden als onderdeel van een strafexpeditie de paleizen van de Oba van het Koninkrijk Benin in Nigeria. De buit is te bewonderen in de grote musea van Europa. Plunderingen van veroverde steden pasten in een eeuwenoude traditie, die de overwinnaar recht gaf op have en goed van de overwonnene. Oorlogsbuit als compensatie voor geleden verliezen aan manschappen en materieel. Nog pas enkele jaren geleden sprak de Doema zich uit tegen teruggave van tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland meegenomen kunstschatten en baseerde zich op hetzelfde argument. De roof van kunstwerken uit musea en uit particulier, vooral Joods bezit, tijdens het Nazi regime staat nog levendig in ons geheugen. Maar de ambtenaren en museumdirecteuren die in 1945 de uit hun land geroofde kunstschatten weer terug gingen zoeken, hebben, zoals onlangs duidelijk is geworden, op hun beurt meer kunstwerken meegebracht naar hun eigen landen en hun eigen musea, dan waarop zij recht hadden. Dat moet als diefstal worden betiteld. Niet in alle gevallen hebben zij echt de moeite genomen om de erfgenamen op te sporen, om vervolgens de ‘overgebleven’ kunstwerken in de eigen musea op te hangen. Ik vind het schokkend te moeten horen dat verzoeken om teruggave door museum bestuurders systematisch zijn tegengewerkt. Het ontbreekt sommige mensen, die algemeen gezien worden als achtenswaardige burgers, blijkbaar aan ethisch normbesef. Musea en verzamelaars hebben zich ook op andere manieren verrijkt. Europese schatgravers, archeologen, en kunsthistorici zoeken sinds mensenheugenis naar spectaculaire ‘vondsten’. De steen van Rosetta, de buste van Nefertite, de obelisken op de pleinen van Parijs, Rome, Londen en Washington D.C., het Pergamon altaar, het marmer van het Parthenon, Etruskische grafvondsten, beelden uit Griekse en Romeinse tempels, pre-Columbiaanse schatten, Afrikaanse terracottafiguren uit Nigeria en Mali.De huidige eigenaars houden vol, dat deze collecties op juridisch correcte wijze verworven zijn. Ik twijfel echter aan de ethische correctheid van hun handelwijzen. Hoe hebben regeringen, musea en verzamelaars zulke grootschalige leegroof van landen gerechtvaardigd? Een motief was de behoefte om de eigen nationale identiteit (de 19de eeuw was de periode waarin in Europa de natiestaten ontstonden) te kunnen baseren op de Grieks-Romeinse en Egyptische beschavingen. Musea en overheidsgebouwen, opgetrokken in neo-classistische architectuur, moesten deze legitimatie illustreren en visualiseren. Een tweede motief werd voor het eerst verwoord door Wallace Budge, de geleerde die in de 1880s het Brits Museum enkele van zijn meest waardevolle Egyptiana aanleverde. Hij schreef: “ Ieder onbevooroordeeld individu moet toegeven dat, wanneer een mummie eenmaal is terechtgekomen in de goede zorgen van het Brits Museum en daar veilig is opgeborgen, hij een veel betere kans maakt om behouden te blijven, dan hij mogelijkerwijs zou hebben in welke graftombe in Egypte dan ook.” Tot op de dag van vandaag wordt dit argument zonder enige zelfkritiek herhaald ondanks tegen-voorbeelden,zoals beschadigingen aan de kunstwerken door onzorgvuldig gebruik. Een aantal Europese landen heeft nog een bron voor zelfverrijking gevonden: de koloniale bezittingen. Scheepsladingen zogenaamde primitieve kunst zijn in de afgelopen 150 jaar afgevoerd naar Europa, waar zij terechtkwam in Volkenkundige Musea en bij particuliere verzamelaars. Ik zou de waarheid geweld aan doen als ik beweer dat alle bestaande verzamelingen van primitieve kunst op onoorbare wijze tot stand gekomen zijn. Wetgeving om zulke vormen van verwerving illegaal te maken bestond niet of nauwelijks. Maar dit neemt niet weg, dat veel verwervingen onethisch te noemen zijn. De grote Europese musea zijn zich bewust dat zij sommige van de grootste kunstschatten aller tijden bezitten. Zij beseffen dat sommige van deze schatten onder twijfelachtige omstandigheden in hun bezit gekomen zijn. Velen van hen wensen niet over het verleden te spreken. Nog onlangs tekenden 18 vooraanstaande kunstmusea een verklaring dat zij niet van plan zijn om oudheidkundige kunstvoorwerpen terug te sturen naar de landen van herkomst. Hun argument is dat zij zichzelf zien als ‘universele instellingen’, als ‘wereldmusea’. Zij zeggen letterlijk: “De wereld zou niet zo doordrongen zijn van de waarde van de antieke beschavingen zonder de kunstschatten van deze culturen, die tentoongesteld worden voor een internationaal publiek in de grote musea.” Teruggave van cultureel erfgoed naar de landen van herkomst is, enkele uitzonderingen daargelaten, een taboe onderwerp. De machtspositie van de grote musea en van de internationale handel kwam rond 1960 onder zware druk te staan. Toen werden de meeste Afrikaanse landen politiek onafhankelijk en de stemverhouding in de Verenigde Naties veranderde plotseling ten gunste van de voormalige koloniën, de zogenaamde ontwikkelingslanden. Vanaf toen bepaalden deze landen onder meer de culturele agenda van UNESCO. Zo werd in 1970 de befaamde UNESCO Conventie tegen de illegale handel aangenomen.Omdat deze conventie geen terugwerkende kracht bezit, werd het niet mogelijk om op juridische gronden de teruggave van goederen die illegaal of langs dubieuze wijze hun landen van herkomst hadden verlaten, te bewerkstelligen. Maar, en dat was de doelstelling van de Conventie, de illegale handel en export van cultuurgoederen zou vanaf dat moment kunnen worden tegengegaan. De Conventie was een doorbraak. Voor het eerst was er een universele verklaring die het internationaal verkeer in cultuurgoederen regelt, die iedere Staat het recht geeft om zijn cultureel erfgoed wereldwijd erkend en beschermd te krijgen. Echter, 30 jaar na de opstelling van de Conventie, had nog slechts een klein aantal landen deze geratificeerd. Een sterke lobby door hen die baat hebben bij wat genoemd werd ‘de vrije handel in kunst’, weerhield veel regeringen ervan om tot ratificatie over te gaan.
De gevolgen zijn schokkend. Afghanistan en Cambodja, Mali en Nigeria, de Andes landen in Latijns Amerika zien hun cultureel erfgoed op grote schaal verwoest worden. Gewetenloze handelaren en verzamelaars maken nog steeds misbruik van de ondeskundigheid en omkoopbaarheid van plaatselijke ambtenaren en lokale overheden. Burgeroorlogen werken plundering van kerken en heiligdommen, van musea en particuliere collecties in de hand. Verpaupering van het Russische platteland noopt boerenfamilies tot het verkopen van hun heilige ikonen. In Mali en het Andesgebied worden arme boeren grafschenners. Regeringen van arme landen geven prioriteit aan de bestrijding van economische en maatschappelijke problemen boven het bewaken van hun cultureel erfgoed.
Ondanks oproepen van Unesco en de Internationale Museum Vereniging ICOM bleven veel musea, internationale handelaars en veilinghuizen weigeren om mee te werken aan een erkenning dat kunstvoorwerpen op grote schaal gestolen en illegaal verhandeld worden, en om gestolen kunstschatten terug te geven aan de landen van herkomst. Dertig jaar lang hebben de meeste Europese landen ratificatie van de Conventie tegengehouden. Pas in de laatste drie jaar is er de lang gewenste doorbraak gekomen. Thans hebben alle landen in West Europa geratificeerd of een datum genoemd waarop ze dat zullen doen. Er zijn twee uitzonderingen: Nederland en Duitsland. Van de tien Midden- en Oost-Europese landen die binnenkort lid hopen te worden van de Europese Unie, hebben er negen het UNESCO Verdrag reeds geratificeerd. Na ratificatie wordt illegale handel in deze landen een misdaad. Maar ratificeren lost niet alle problemen op. Volgens de Conventie moet de aanklager bewijzen dat de verdachte te kwader trouw heeft gehandeld. De verdachte hoeft zijn goede trouw niet aan te tonen.Het vinden van het bewijs dat voorwerpen illegaal zijn verworven, wordt zeer moeilijk voor justitie. Daarom is het UNIDROIT Verdrag ontwikkeld: een noodzakelijke aanvulling op het UNESCO Verdrag. Het UNIDROIT Verdrag eist dat de bezitter aantoont dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. Het UNIDROIT Verdrag beschermt het recht van de oorspronkelijke eigenaar. Belgie zelf heeft het beste bewijs geleverd voor de noodzaak van het UNIDROIT Verdrag. Een Belgische verzamelaar en Ethiopie kenner kocht op amper 10 km. van dit Senaatsgebouw een kruis dat uit een Ethiopisch heiligdom gestolen was, voor een bedrag van ruim 10.000 euro. De koper moet dat geweten hebben. Omdat Belgie het UNIDROIT Verdrag niet heeft geratificeerd, viel juridisch niet veel te doen. Gelukkig is onder morele druk het kruis teruggegaan naar Ethiopie. Maar de verzamelaar ging vrijuit en kreeg zelfs zijn geld terug. In Ethiopie verdwenen vijf mannen in de gevangenis. Tenslotte moet mij nog iets van het hart. Nu bijna alle Europese landen het UNESCO verdrag hebben geratificeerd of dat spoedig zullen doen, klinkt er euforie bij hen die hiervoor jarenlang hebben gestreden. Maar ik wil u waarschuwen. Laat U niet in slaap sussen door de overwinning, want het zou een Pyrrhus overwinning kunnen blijken te zijn. Uit landen die in 2002 zijn overgegaan tot ratificatie komen geluiden, dat de tegenstanders actief zijn om de overheden tot een restrictieve interpretatie van het Verdrag aan te zetten. De ratificatie van de beide Verdragen is noodzakelijk, maar ook daarna is de strijd tegen de illegale handel niet gestreden. Dank u wel Harrie LeytenReinwardt Academie Amsterdame-mail: hleyten@msn.com
You must be logged in to post a comment.